August Graf von Platen (1796-1835) – An die Tulpe

Als homosexueel voelde hij zich in het leger echter niet op zijn gemak. In 1918 ging hij filosofie en filologie studeren, onder andere aan de universiteit van Würzburg. In 1826 ging hij naar Italië, en woonde daar in Florence, Rome en Napels.

Aanvankelijk schreef hij romantische gedichten. Later ging zijn interesse meer uit naar antieke en oosterse poëzie. Hij heeft heel wat werk vertaald van klassieke Perzische dichters, zoals Hafiz. Die “obsessie met de Orient” kwam hem op de nodige spot te staan door Heinrich Heine, met wie hij wel vaker overhoop lag. In zijn eigen poëzie zijn vrijheid en revolutie belangrijke thema’s. Uit zijn bundel Polenlieder uit 1831 spreekt sympathie voor de vrijheidsstrijd van de Polen. Von Platen schreef ook voor toneel, met name drama’s. Deze hebben de tand des tijds niet overleefd. Zijn poëzie verdient meer waardering. In de 19e eeuw genoot hij nog grote bekendheid, tegenwoordig is hij in de vergetelheid geraakt.

Het gedicht ‘An die Tulpe’is één van de vroege gedichten van Von Platen. Het stamt uit 1812. Het is een regelrecht loflied op de tulp. Volgens de dichter overtreft de tulp alle andere bloemen in schoonheid.

 

 

An die Tulpe.

Andre mögen Andre loben,
Mir behagt dein reich Gewand;
Durch sein eigen Lied erhoben
Pflückt dich eines Dichters Hand.

In des Regenbogens sieben
Farben wardst du eingeweiht,
Und wir sehen was wir lieben
An dir zu derselben Zeit.

Als mit ihrem Zauberstabe
Flora dich entstehen ließ,
Einte sie des Duftes Gabe
Deinem hellen bunten Vließ;

Doch die Blumen all’, die frohen
Standen nun voll Kummer da,
Als die Erde deinen hohen
Doppelzauber werden sah.

Göttin! o zerstör’ uns wieder,
Denn wer blickt uns nur noch an?
Sprach die Rose, sprach der Flieder,
Sprach der niedre Thymian.

Flora kam, um auszusaugen
Deinen Blättern ihren Duft:
Du erfreu’st, sie sagt’s, die Augen,
Sie erfreu’n die trunkne Luft.
August Graf von Platen,  1812.