Théophile Gautier – La Tulipe

Gautier was een bekende van de schilder Corot en van de schrijver Victor Hugo. Ook andere bekende schrijvers en dichters hoorden tot zijn vriendenkring. Zo noemde de beroemde Franse dichter Baudelaire zich zijn leerling en droeg hij zijn beroemde Les Fleurs du Mal aan Gautier op.

Théophile Gautier is vandaag de dag het meest bekend om zijn gedichten. Aanvankelijk was Gautier aanhanger van de Romantiek, maar later keerde hij zich daarvan af, en werd hij voorloper van de l’art pour l’art beweging. Zijn bekendste dichtbundel is Émaux et Camées uit 1852. Die toont duidelijk Gautiers ommekeer, waarbij hij zich uitsprak voor een kunst die zichzelf moest dienen, waarin vorm en techniek uitgaan boven de boodschap. Deze dichtbundel wordt beschouwd als het begin van de Parnasse. Dat is een Franse beweging van dichters in de tweede helft van de 19e eeuw, vernoemd naar de oud-Griekse godenberg Parnassus, maar met een knipoog naar de Montparnasse, waar veel van hun leden zich troffen. Zij waren tegenstander van de Romantiek en propageerden l’art pour l’art.

Het gedicht ‘La tulipe’ stamt uit 1839. Het is een sonnet en is opgenomen in ‘Poésies diverses, poésies nouvelles et inédites, poésies posthumes’ uit 1890. Het is een loflied op de tulp met in het eerste couplet een verwijzing naar de tulpengekte (“een Vlaamse vrek betaalt voor een tulpenbol meer dan de prijs voor een diamant”). Naar verluidt maakte Gautier dit gedicht voor de Franse schrijver Honoré de Balzac, die het gebruikte in zijn roman  Illusions perdues (in drie delen gepubliceerd tussen 1836 en 1843).

La tulipe

 

Moi, je suis la tulipe, une fleur de Hollande
Et telle est ma beauté, que l’avare flamand
Paye un de mes oignons plus cher qu’un diamant
Si mes fonds sont bien purs, si je suis droite et grande.

 

Mon air est féodal, et comme une Yolande
Dans sa jupe à longs plis étoffée amplement,
Je porte des blasons peints sur mon vêtement,
Gueules fascé d’argent, or avec pourpre en bande.

 

Le jardinier divin a filé de ses doigts
Les rayons de soleil et la pourpre des rois
Pour me faire une robe à trame douce et fine.

 

Nulle fleur du jardin n’égale ma splendeur,
Mais la nature, hélas ! n’a pas versé d’odeur
Dans mon calice fait comme un vase de Chine.

 

Théophile Gautier, 1839